OUDEJAARSPREEK VOOR TWEE PERSONEN EN EEN GAST

“Oliebollen” zei de man. Hij keek wat droevig naar zijn hondje dat druk bezig was de poten van de bank waarop we zaten te besprenkelen. “Ze begonnen als oliebollen.”
Hij had er het fijne niet precies van meegekregen, maar de algemene tendens bij de supermarkt was dat Brasil ietwat lichtzinnig aan het karwei was begonnen. Volgens een dame achter de kassa dachten ze dat ze Ajax waren. Dat was toch wel overdreven volgens de man.

Ik schudde het keffertje weg van mijn broekspijp die bijna in aanmerking begon te komen als pispaal. “Ik geloofde er wel in” hij zei het vol overtuiging, legde zijn arm vertrouwelijk op mijn been en klopte er geruststellend op. “Rare jongens dat Brasil, maar een slok en een kans op drie punten laten ze nooit liggen.” Hij knikte ter ondersteuning van zijn uitspraak. Ik keek uit over Silvolde, dacht gewoon wat losjes aan oude tijden. De markt, kapper huls met de beboblook, hotel harbers waar het ooit gebeurde en natuurlijk Meijer een geschiedenis apart. In de oliebollenperiode is terugkijken geen zonde.

“Toen begonnen ze punten te halen” herinnerde de man zich. Zijn gezicht klaarde er zienderogen van op. Een vluchtige lach dwaalde over de ongeschoren wangen. “Ze begonnen het te begrijpen” opperde ik. Hij keek me aan of ik de schoenen van de grote JC had gejat. “Precies”.

De hond, een vuilwit mormel van een onbekend merk ging erbij liggen. Blijkbaar verwachtte het een langere discussie. Honden hebben volgens liefhebbers een zevende zintuig, maar waarom ze dan toch op je stoep schijten is nog niet verder uitgezocht. Achter ons begon de klok van de kerk zich ermee te bemoeien. “Ken ik je ergens van, heb je geen broer hier?” Ik sprak het tegen nog voordat de haan driemaal kraaide. “Lichtenvoorde” zei ik. Hij veerde op “jammer dat ze daar niet wonnen, was klasse geweest.” Het zat hem blijkbaar goed dwars. “Wat een oliebollen” mopperde hij wat na.

Er viel een stilte. Geen pijnlijke stilte waarbij er altijd wel een wijsneus de opmerking maakt dat er een dominee voorbij loopt. Het was een gedragen stilte. Vederlicht. We dachten allebei aan de dingen die nog komen. “Thuis pakken we ze” zei ik om het gesprek weer op gang te brengen.
“Winnen we dik” Hij zei het met een felheid die de hond onder de bank deed schieten. De man schonk er geen aandacht aan. Hij stak zijn hand op tegen een fietser die met een beker onder de snelbinders voorbij trapte. “Voorzitter” fluisterde hij zich licht naar mij toebuigend. We keken hem na hoe hij elegant de Ulftseweg opdraaide en uit ons zicht verdween.

“Wat heb je nu eigenlijk met Brasil te maken als je uit Lichtenvoorde komt?” Hij streek zich door zijn spaarzame haren, trok zijn jas recht en zocht wat verstrooid naar de hond die ergens aan het eind van zijn touw bungelde. Ik probeerde erom te lachen, mezelf niet te zien als een fossiel uit de roodzwarte geschiedenis.
“Ach, ik ben wel een fan van die oliebollen” zei ik bedachtzaam knikkend. Hij begreep me, drong niet verder aan.
Het hondje kwam onder de bank vandaan en keek me verwachtingsvol aan. Ik heb niks met honden maar, ik zweer het, het knikte me toe…..